Herinneringscentrum Kamp Westerbork is begonnen om de vorm van vijf oude barakken uit de Tweede Wereldoorlog terug te brengen in het landschap.
“Er waren heel veel barakken en ze waren heel groot”, zegt directeur Bertien Minco van het centrum bij RTV Drenthe. “Het idee is om door te maaien rondom de velden en ook door ze in te zaaien, de omvang van de barakken zichtbaar te maken.”
Kamp Westerbork was de plek bij het Drentse dorp Westerbork waar de Duitse bezetters in de oorlog Joden, Roma en Sinti opsloten voordat ze naar de vernietigingskampen Auschwitz en Sobibor gingen. Ruim 102.000 Joden en 245 Roma en Sinti zijn vanuit Westerbork per trein gedeporteerd.
Na de oorlog is een aantal van de meer dan honderd barakken voor andere doeleinden gebruikt. Zo werden er gedemobiliseerde KNIL-militairen uit de Molukken ondergebracht met hun families. Uiteindelijk zijn de barakken afgebroken.
Weer in beeld
Net als haar voorgangers denkt Minco al lange tijd over een gepaste manier om het kamp van toen weer in beeld te brengen. Om die reden werd in 2010 al een oude barak opgespoord en weer teruggeplaatst. Er ligt ook een bielzenmonument van omgekrulde spoorrails en de commandantswoning is te zien.
Op vijf locaties waar barakken hebben gestaan, komt nu een ‘gedenklandschap’. Een proef op kleine schaal, stelt projectleider Simon de Jong, Er wordt geëxperimenteerd met verschillende manieren van vormgeving. “Een van de barakvelden wordt afgeplagd. Er wordt een barakveld gefreesd. Een ander barakveld wordt met een andere machine bewerkt en er komt een veld met inheemse kruiden”, aldus de projectleider. Op het laatste veld wordt de grond geverticuteerd en (dus) vrijgemaakt van mos.
Door gebruik te maken van planten en kruiden hoopt directeur Minco een plek voor reflectie te creëren. “Je kunt het kamp toch niet herbouwen, dus dan moet je ook niet doen alsof.”
Beladen plek
Omdat Kamp Westerbork een beladen plek is, is het verplicht om bij elke ingreep in het landschap eerst archeologisch onderzoek te doen. Met resultaat, zegt archeoloog Yftinus van Popta. “Normaal gesproken in de archeologie zeggen we: vanaf 30 centimeter onder de grond begint het. Maar nu is dat niet het geval. Ik zit op zes centimeter en het levert al van alles op.”
Zoals verwacht vindt Van Popta vooral overblijfselen van funderingen van de barakken zoals stukjes beton en bakstenen. Hij vindt ook persoonlijke voorwerpen, zoals een metalen opscheplepel. “Die lag op vijf centimeter diepte. Dat geeft wel aan hoe relevant het is om hier onderzoek te doen. Dit hoorde bij de voedselvoorziening in het kamp.”
Bekijk hier de werkzaamheden
Naast de soeplepel vindt Van Popta ook twee knikkers. Daar staat hij van te kijken. “Als je normaal gesproken een knikker vindt, dan denk je: daar hebben kinderen gespeeld. Maar wat is er met deze kinderen gebeurd? Waarom is het achtergelaten? Dat weten we niet. Ik vind het een hele kenmerkende vondst.”
De vondsten worden verder onderzocht en krijgen daarna mogelijk een plek in het museumgebouw als dat is verbouwd.
Of het gedenklandschap wordt uitgebreid naar alle meer dan honderd barakken van toen is de vraag. Het herinneringscentrum kampt met chronisch geldgebrek. “Zaaien kunnen we altijd doen”, stelt directeur Minco. “Dat kost nog niets en dan gebeurt er visueel toch al veel. Dus op deze manier kun je kijken: wat kan er nu al? Wat doen we als er een beetje geld komt? En wat doen we als er meer geld komt? En wat doen we als al het geld komt?”